Bittere thee

4 augustus 2019

Ik reken twee pakjes witte thee af in de gezondheidswinkel en dat geeft meteen stof voor een gesprek. “Niet te heet hè!” De opmerking, inclusief waarschuwende vinger, laat een schokje door mijn lijf gaan. Gelukkig begrijp ik wat de vrouw achter de kassa bedoelt en kan ik haar dat dus ook trots meedelen. “Ja, sommige mensen weten dat niet,” zegt ze, eerst streng, maar halverwege de zin milder, terwijl ze de kartonnen pakjes scant. Ik kan zien dat ze blij is dat ik weet dat je witte thee niet in kokendheet water moet trekken. Ze is blij dat wij dat samen weten. “70 graden!” voegt ze er nog aan toe, al is het overbodig. De waarschuwende vinger is er ook weer, maar minder streng en zonder duidelijk richtpunt.

Ik ben klaar met betalen en wacht op de bon. Er staat een vrouw achter me. Ik hoor haar schuifelen. Ik zet vast één been richting de deur, verplaats mijn gewicht ernaartoe, maar heb de bon nog niet, die ik ook niet per se hoef, maar niet durf af te slaan. De kassavrouw wacht ook op de bon. Ik kan zien dat ze blij is dat dit haar de kans geeft nog snel te vertellen dat zij nu speciaal een waterkoker heeft gekocht om haar thee goed te zetten. “Want ook met groene thee, oh nee! Zo bitter!” Daar wil ik het graag met haar over hebben, want ook met een waterkoker zit je toch met kokendheet water. Doet zij een laagje koud water onderin haar kop, zoals ik? Heeft ze veel geduld? Heeft ze een heel speciale waterkoker?

De vrouw achter me begint steeds luidruchtiger te schuifelen. Ik hoor ook een plastic tas steeds harder kraken en een soort kuchje. De verkoopster steekt nu kort haar tong uit en beweegt haar hoofd schokkerig naar achter, alsof ze ergens voor terugdeinst. Ze heeft duidelijk slechte herinneringen aan meerdere koppen slecht gezette thee. Ze geeft me de bon aan. Ze wil nog zoveel zeggen, maar ik maak plaats voor de vrouw achter me, die, als ik niet opzij was gegaan, waarschijnlijk door me heen was gestapt. Ik loop rustig richting de uitgang, mijn bovenlijf nog half naar de kassa gedraaid, om de laatste lachjes en geluidjes van walging van de verkoopster op te vangen. Ze kijkt me bijna smekend na, beweegt een beetje met me mee, zou wel mee willen lopen, samen op pad, ergens thee drinken, over het leven praten.

Ik zie nu voor het eerst de vrouw met de schuifelvoeten en krakende tas en het is me direct duidelijk dat die heel wat minder in is voor een praatje, al helemaal niet over thee. De vrolijke lachjes van de verkoopster stuiten bij haar op een muur, maar ik moet naar buiten, want als ik hier nog langer blijf, verstoor ik een afrekenproces en wie weet wat dan de gevolgen zijn. Ruzie. Gesmijt met kokendheet water. Zoiets kan gevaarlijk worden. Dus verlaat ik de winkel, wetende dat de verkoopster meer klanten heeft op een dag, en dat die niet allemaal zo zijn als deze vrouw met haar krakende tas en kuchje. Ineens voel ik me ontzettend overbodig. Ik graai haastig in mezelf naar dat vorige gevoel, dat nuttige, die steun en toeverlaat en zoveel meer dan gemiddeld gezellige gesprekspartner. De verkoopster mag van geluk spreken dat ik er vandaag was. Je hebt niet altijd klanten die wel raad weten met thee.