De rij

5 maart 2019

Soms blijken mensen toch best lief. Zo zou je denken dat in de rij staan altijd wel wat ongeduld en wangedrag opwekt. Iemand slaakt een goed hoorbare zucht of stoot zogenaamd per ongeluk tegen zijn voorganger als die niet doorloopt terwijl dat al wel kan (om over voordringen nog maar te zwijgen). Maar toen ik laatst in volle vaart kwam aanzetten bij de betaalpoortjes van de toiletten op Utrecht Centraal, mijn bankpas al in de aanslag, lieten de mensen het tegenovergestelde zien van wangedrag.

Er was niet echt een duidelijke rij. Althans niet vanaf de twee poortjes naar achter, verticaal zogezegd. Nee, er was een horizontale rij. De mensen stonden naast elkaar, schoven niet langzaam naar voren richting de poortjes, maar van links naar rechts, en terug. Ik sloot ergens middenin aan. Er kwam een vrouw rechts van mij staan, ook een nieuwkomer, en toen de vrouw links van mij geen aanstalten maakte, schreed de vrouw rechts van mij langzaam naar een vrij poortje, als om mensen de kans te geven haar nog net voor te gaan. De vrouw links van mij hield al een tijdje een eurostuk paraat, maar protesteerde niet. Ik zelf stopte mijn bankpas op dat moment weer weg. Er stond ook al een tijdje een man met een groene sjaal links van die vrouw links van mij, en die leek nu richting een vrij poortje te gaan, maar keek daarbij schuldbewust naar de vrouw met het muntstuk en uiteindelijk stapte hij terug naar achter, waarbij hij bijna over zijn eigen voeten struikelde. Zij beantwoordde zijn blik heel dankbaar en ging toen zelf, tegelijk met een vrouw die er één seconde geleden bij was gekomen. Toen botsten ze bijna tegen elkaar, maar vlak voor dat kon gebeuren, liet deze nieuwe vrouw met een vriendelijke glimlach de vrouw met het muntstuk voorgaan. Ze kwam terug in de horizontale rij, kijkend naar mij en de man met de groene sjaal en nog wat andere mensen, zich waarschijnlijk afvragend of wij daar in “de rij” stonden. Voor de duidelijkheid haalde ik toen mijn bankpas weer tevoorschijn.

Toen beide poortjes tegelijk vrij kwamen en er na vijf seconden nog niemand ging, stapten ik en de nieuwe vrouw tegelijk naar een eigen poortje. Ik hield mijn pasje tegen een sensor, wat geen sensor bleek te zijn. Ik zocht naar wat dan wél de sensor was. De seconden tikten weg. Achter mij dansten een vijftal mensen een uiterst ingetogen cancan, zonder de armen in elkaar en bepaald niet gelijk. Het was dankzij deze mensen dat ik nu eens niet overspoeld werd door een golf van schaamte dat ik de sensor niet kon vinden. Ik had geen haast. Zij hadden geen haast. We gunden elkaar allemaal onze weg door het poortje en wie er het langst stond, had niet meer recht op de doortocht dan wie zich later had aangesloten. Ik ging heel ontspannen naar het toilet, me niet afvragend wie na mij de stap durfde te zetten.

Zo’n horizontale rij, zonder volgorde, maakt mensen nogal in de war, maar door dat gedeelde ongemak worden we ook lief en toegeeflijk. Een verticale rij, waarin we niet gebroederlijk naast, maar achter elkaar staan en ieder gedwongen is zijn plek te kennen, wekt misschien juist haast en ongeduld op. We zouden vaker horizontale rijen moeten maken. Het kan een equivalent zijn van de ronde tafel van King Arthur, waaraan ieders aanwezigheid evenveel waard is en niemand zich achtergesteld (of achteraan) hoeft te voelen. Het woord horizontaal klinkt ook veel zachter dan het woord verticaal.

Toen ik weer buiten stond, zag ik de man met de groene sjaal nog staan. Misschien was hij inmiddels geweest en wachtte op iemand, maar als deze man nog steeds mensen liet voorgaan, was voor hem een verticale rij toch wel handig geweest.