Wij mieren

31 mei 2019

Mieren doen aan landbouw. Ze verbouwen stukjes blad tot schimmels die ze voeren aan hun larven. Op de één of andere manier weten ze hoe dit moet. Veeteelt is ze ook niet vreemd. Op bloemstelen in mijn tuin zitten kluitjes bladluizen die door mieren worden beschermd tegen lieveheersbeestjes en ander wolfachtig schorem, zodat de luizen rustig kunnen eten, terwijl de mieren ze melken en smikkelen van de zoete honingdauw. Al die handelingen, al die stappen om tot resultaten te komen, dat lijkt wel menselijke intelligentie. Hebben wij het alleenrecht op dit soort activiteiten? Misschien is het andersom. Ons landbouwtalent komt voort uit mierelijke intelligentie. Misschien zijn er op een planeet ver weg nog veel grotere dieren, reuzen in onze ogen, en wij mieren in de hunne. Zij zullen zich ooit, als ze onze planeet hebben gevonden, verbazen over onze intelligentie, die ze met die van zichzelf zullen vergelijken. Ze zullen denken: die kleine mensen, die hebben voor al dat groente verbouwen, vlees verwerken en zelfs een klein beetje door de ruimte reizen, toch helemaal niet de hersens? Wat gek. Wat bijzonder.

Misschien hebben mieren wel allerlei ideeën over de wezentjes die nog kleiner zijn dan zij. Misschien verbazen zij zich over de intelligentie van bacteriën. Misschien zien bacteriën de mensen, op wiens huid en tong ze kruipen, als een gigantisch en nog uitdijend heelal.