De perceptie van wonderlijke nieuwe dingen

Op 12 oktober 1492 zette Christoffel Columbus zijn eerste stappen in het Caribisch gebied. Hij dacht dat hij in India was aangekomen, maar in plaats daarvan ontdekte hij een geheel nieuwe wereld waar “andere” mensen woonden met “vreemde” talen en gebruiken. Hoe gaan mensen om met het fenomeen ‘de ander’? Met deze vraag houdt schrijver en wetenschapper Tzvetan Todorov zich bezig. In zijn boek The Conquest of America geeft hij een analyse van Columbus’ houding ten op zichte van de Indianen. Columbus’ ontdekking vond plaats op aarde, maar wat als de ontdekkingsreizen zich uitbreiden naar het heelal? Hoe zullen we in de toekomst omgaan met buitenaardse wezens? Hierover gaat de roman Het boek van wonderlijke nieuwe dingen van Michel Faber, waarin hoofdpersoon Peter door multinationalbedrijf USIC wordt uitverkoren om op zendingsmissie te gaan naar de planeet Oasis. Hij gaat de inheemse bevolking tot het Christendom bekeren. Een verhaalopzet die meteen doet denken aan de vroegere ontdekkingsreizen. In hoeverre past deze roman binnen het beeld dat Todorov schetst van Columbus’ omgang met de Indianen, en wat voegt de roman toe?

Incompleet en cultuurloos

Op Oasis is alles anders. De lucht is er warm en vochtig, de regen valt niet naar beneden maar danst op en neer, er is weinig verscheidenheid in diersoorten en de dagen duren er veel langer dan op aarde. De USIC medewerkers (vooral technici) hebben hun schepen verbrand en wijden zich aan het opzetten van een nieuwe leefomgeving met duurzaam opgewekte energie. Het USIC is een niet-religieus bedrijf en Peter, een dominee en aangenomen om vooralsnog onduidelijke redenen, is een vreemde eend in de bijt. Daarbij heeft Peter zijn schepen helemaal niet verbrand, want thuis zit zijn vrouw Bea op hem te wachten. Terwijl Peter opgaat in zijn missie en kennis maakt met zeer vredelievende maar mismaakt uitziende monsters, storten op aarde alle systemen in. Er zijn faillisementen, natuurrampen en voedseltekorten en niemand is nog veilig.

Peter vraagt een keer aan Alex Grainger, een USIC medewerkster die Peter regelmatig naar de Oasische nederzetting brengt, wat het USIC hier eigenlijk van plan is. Ze antwoordt:

Onze eerste opdracht is om een duurzame omgeving tot stand te brengen. Schoon water. Duurzame energie. Een team dat goed samenwerkt. Een plaatselijke bevolking die geen pesthekel aan ons heeft.Faber 363

Het lijkt erop dat het USIC geleerd heeft van de fouten van de mensheid uit het verleden. De omgeving moet duurzaam zijn en er mag geen onenigheid zijn met de plaatselijke bevolking. Desalniettemin doen uitlatingen en acties van personages in de roman denken aan de vijftiende en zestiende eeuwse ontdekkingsreizen, niet in de laatste plaats het feit dat Peter als taak heeft de Oasiërs te bekeren tot het christendom. Volgens Todorov was voor Columbus de verspreiding van het christendom het belangrijkste motief om op reis te gaan (Todorov 10-11). De Indianen liepen naakt rond en waren in de ogen van Columbus cultuurloos, als een onbeschreven blad dat er op wacht beschreven te worden door de Spanjaarden en hun geloof (Todorov 35-36). Peter ziet het ook als een belangrijke taak om de buitenaardse wezens op Oasis dichter bij Jezus te brengen. Ze lopen niet naakt rond, maar er lijkt volgens Peter wel iets van cultuur te missen in hun bouwstijl:

Peter leunde tegen de bumper van de wagen en onderwierp wat hij van de nederzetting kon zien aan een nader onderzoek. De gebouwen waren weliswaar rechthoekig, maar hadden geen harde randen. Elke bouwsteen had een goed gepolijste ruitvorm, was een glasachtig boordje amber. De specie was niet gruizig, het leek wel een plastic dichtmiddel. Nergens was een scherpe hoek, iets puntigs of gekartelds te bekennen. Het was alsof de esthetische uitgangspunten van de architect zich gevormd hadden als een eerbetoon aan kinderspeelplaatsen. Niet dat de gebouwen op enigerlei wijze infantiel of simpel waren, want ze bezaten hun eigen eenvormige waardigheid en waren duidelijk buitengewoon stevig en de warme kleuren waren… enfin… warm. Toch kon Peter niet zeggen dat hij het algehele effect aantrekkelijk vond. Als God hem in Zijn goedheid de mogelijkheid zou bieden hier een kerk te bouwen, dan zou die een andere toon moeten treffen en moeten opvallen tussen al die gecapitonneerde soliditeit om hen heen. Wat zo’n kerk in ieder geval zou moeten hebben was… ja, dat was het, hij wist ineens wat er zo deprimerend was aan dit oord. Er werd geen enkele poging gedaan naar de hemel te reiken. Geen torens, geen siertorentjes, geen vlaggenmast, niet eens een bescheiden puntdak. Een kerktoren zou wonderen doen!Faber 133-134

De bouwstijl komt op Peter over als een eerbetoon aan kinderspeelplaatsen, maar op deze gedachte volgt direct een rectificatie. Hij wil de gebouwen niet infantiel noemen, of simpel. Hij zegt liever dat ze een “eigen eenvormige waardigheid” hebben. Hier lijkt ook hij dus fouten uit het verleden, denkwijzen in dit geval, te willen tegengaan. Toch vind hij dat er iets in de architectuur mist. De nederzetting zou er enorm op vooruit gaan met een kerktoren. Net zoals Columbus wil Peter iets toevoegen aan de leefwijze van het inheemse volk.

Oneerlijke ruil

Columbus vond dat als hij de inheemsen beschaving en religie bracht, hij daar goud en grondstoffen voor terug mocht nemen (Todorov 42). Dit was zogenaamd een goede en eerlijke ruil, want de inheemse bevolking ontbeerde beschaving en had die, vanuit Eurocentrisch perspectief, hard nodig. In de roman van Faber speelt ruilen ook een rol. Het USIC geeft de Oasiërs medicijnen en laat ze kennismaken met de Bijbel. In ruil geven de Oasiërs aan het USIC zakken witbloem (voedsel).[1] Is dat een eerlijke ruil? Weer lijkt het USIC nobele doelstellingen te hebben, maar ze stappen in eenzelfde valkuil als de vroegere ontdekkingsreizigers die dachten dat wat ze zelf goed kenden en belangrijk vonden, ook nodig was voor de Indianen. Hoe kan het USIC weten waar de vreemde wezens op Oasis, biologisch zelfs compleet anders opgebouwd dan mensen, behoefte aan hebben. Als een medewerkster van het USIC ze de inhoud van een doos medicijnen uitlegt, raakt ze bij de insuline in de knoop:

‘We hebben,’ ging ze verder,’ dit keer ook iets heel anders, dat niets te maken heeft met pijn. Jullie kennen dit spul nog niet. Ik weet niet of… eh… iemand hier er wat aan heeft.’
‘De naam?’
‘De naam op het doosje is GlucoRapid. Dat is de merknaam. Het is insuline. Het is tegen diabetes. Is diabetes iets wat jullie kennen? Wanneer het lichaam de bloedsuikerspiegel niet goed kan reguleren?’
De Oasiërs zeiden niets en reageerden ook niet in gebaar, maar bleven hun gezicht aandachtig naar Grainger gericht houden.
‘Glucose is eh, zoiets als suiker,’ zei ze met haperende stem. Ze drukte haar vingers hard tegen haar transpirerende voorhoofd en leek zelf wel een paar pijnstillers te kunnen gebruiken. ‘Het spijt me, dit klinkt waarschijnlijk totaal onbegrijpelijk maar we hebben de insuline over, dus…’
‘Wij zijn dankig,’ zei Vriend van Jezus Een[2]. ‘Wij zijn dankig.’ En hij verloste Grainger uit haar lijden door zijn landgenoot met een teken duidelijk te maken dat hij de doos moest sluiten.Faber 244-245

Het USIC geeft alleen medicijnen die de mensen zelf over hebben, waarvan ze bovendien niet zeker weten of die bij Oasiërs werken, terwijl de Oasiërs voedsel afstaan, dat voor iedereen nodig en belangrijk is. Dit is een eerste aanwijzing dat deze ruil niet eerlijk is. Dan de Bijbel. De bijbel is een aards gegeven en staat vol verhalen over aardse zaken in aardse omgevingen waar de Oasiërs zich geen voorstelling van kunnen maken. Wat hebben ze er dan aan? Tot Peters verbazing zijn de Oasiërs erg geïnteresseerd in wat zij “het boek van wonderlijke nieuwe dingen” noemen. Ze worden getrokken door het idee van verlossing en voortleven na de dood. Het maakt ze niet uit dat het boek voor hen amper te begrijpen is, maar ze realiseren zich ook niet dat het daarom misschien niet relevant voor ze is.

Finalist strategy

Zoals eerder gezegd is alles op planeet Oasis compleet anders. Het landschap, het weer en vooral de bevolking. In zijn interpretatie van vreemde zaken paste Columbus volgens Todorov een finalist strategy toe. Deze strategie houdt in dat tekens worden uitgelegd aan de hand van een al vaststaande betekenis (Todorov 17). In alles wat Columbus interpreteerde, zag hij bevestiging voor wat hij zelf al dacht. Zijn interpretatievermogen was dus beperkt tot zijn eigen referentiekader. Hij zag de indianen ofwel als gelijke medemensen, passend in zijn mensbeeld, maar zonder beschaving, of hij zag ze niet als mensen maar als beesten (Todorov 14-42), die je dus ook geen beschaving kon bijbrengen. Daar zat weinig tussenin. Columbus mag dan het moderne tijdperk hebben ingeluid, hij was door deze interpretatiestrategie volgens Todorov geen moderne man (12).

Van een echte moderne man, die leeft in de toekomst, zouden we verwachten dat hij er rationelere interpretatiestrategieën op nahoudt, maar ook Peter is bij de interpretatie van de Oasiërs gebonden aan zijn eigen referentiekader. Dit komt extra tot uiting doordat de Oasiërs geen mensen zijn, maar compleet andere biologische wezens. Veel werknemers op de USIC-basis maken kannibalengrappen en noemen de Oasische nederzetting freaktown, de oude, bekende manier om met mensen om te gaan die anders zijn. Vanuit goede intenties probeert Peter om de Oasiërs zoveel mogelijk als zijn gelijken te zien, maar hun afstotelijke uiterlijk maakt dit moeilijk. Hij kan alleen aardse bewoordingen gebruiken bij een beschrijving van hun gezicht.

Dit was een gezicht dat in niets op een gezicht leek. Wat hij zag was de inhoud van een walnotendop, maar dan heel groot en witroze. Of nee, het leek nog meer op een placenta met twee foetussen – een misschien drie maanden oude tweeling, onbehaard en blind – die met de hoofdjes en de knietjes tegen elkaar lagen. Hun gezwollen hoofdjes vormden als het ware het gekloofde voorhoofd van de Oasiër, hun geribde ruggetjes vormden zijn wangen, hun stakerige armpjes en gewebde voetjes versmolten in een wirwar van doorschijnend vlees dat wellicht – in een door hem niet herkenbare vorm – een mond, neus en ogen herbergde.
Natuurlijk waren het niet echt foetussen. Het gezicht was wat het was, het gezicht van een Oasiër anders niet. Maar hoe hij ook zijn best deed, Peter kon het niet als zodanig zien. Hij kon het alleen maar vergelijken met iets wat hij kende. Hij móést het wel zien als twee groteske foetussen die op iemands schouders rusten, half verhuld in een kapoets. Als hij namelijk niet besloot dat het daarop leek, zou hij er vermoedelijk altijd verstijfd naar blijven staren, de oorspronkelijke schok herbelevend, duizelend van dat hoogtevreesgevoel tijdens een onbelemmerde val, op dat misselijkmakend moment voordat je een vergelijking vond die houvast bood.Faber 135-136

Als een mens stuit op iets wat hij niet kent zal hij het afzetten tegen wat hij wel kent, om het zo te kunnen duiden. Zo biedt vergelijking houvast. Peter probeert de gezichten van de Oasischer te zien voor wat ze zijn, gezichten, maar is dan alle houvast kwijt. Hij benadrukt dat hij wel móét vergelijken. Hieruit spreekt de visie dat mensen nooit buiten hun eigen referentiekader kunnen treden. Het is als een lens die altijd instaat tussen jou en wat je ziet. Zelfs al doet een mens zijn best om een andere bevolingsgroep onbevooroordeeld te leren kennen, dan nog kijkt hij door die lens. Anders dan Columbus reflecteert Peter wel op zijn beperkte perceptie. Hij heeft er een worsteling mee.

In de finalist strategy van Columbus, past ook dat hij een taal die hij niet kon verstaan, niet als taal zag. Het paste niet binnen zijn referentiekader. De taal van de Oasiërs in de roman van Faber bestaat uit voor mensen onuitsprekelijke sis-, gorgel- en slurpgeluiden. Anders dan Columbus, erkent Peter de geluiden meteen als taal en probeert op den duur ook om te taal te leren. Dan gebeurt er iets interessants. Hoe vaker hij bij de Oasiërs verblijft en des te beter hij hun taal begrijpt, des te meer hij vervreemdt van zijn eigen cultuur en van zijn vrouw Bea op aarde. In de mailcorrespondentie met zijn vrouw ontstaat ruzie door allerlei miscommunicaties. De Oasiërs lijken op een veel directere manier met elkaar te communiceren dan mensen, zonder bijbedoelingen of onuitgesproken conflicten. Voor zover Peter dit kan waarnemen, hebben zij helemaal geen communicatiestoringen. Hij voelt zich bij hen mentaal als een vis in het water, maar takelt lichamelijk af. Net als de Oasiërs eet hij nog maar weinig en bij het samen werken op het land loopt hij ernstige zonverbrandingen op. Het lijkt alsof hij probeert een Oasiër te worden, maar tegen de grenzen van zijn menselijkheid aanloopt.

(Faber 465)

Het boek van wonderlijke nieuwe dingen illustreert hoe we in de toekomst, mochten we ooit weer in aanraking komen met een volkomen vreemde ‘ander’, waarschijnlijk in dezelfde valkuilen zullen trappen. Zowel Peter als het USIC proberen de fouten uit het verleden niet te herhalen. Op aarde zijn de grondstoffen uitgeput dus op Oasis moet de energievoorziening duurzaam zijn en het perspectief van de inheemse bevolking telt mee. Toch worden er oneerlijke ruilafspraken gemaakt en loopt Peter tegen grenzen aan in zijn begrip van de bevolking.

De roman onderstreept Todorov’s analyse van Columbus en de omgang van mensen met ‘de ander’, maar voegt eraan toe dat mensen niet bij machte zijn iets aan hun onvolkomendheden te doen. Todorov problematiseert de nauwe interpretatiestrategie van Columbus terwijl de roman laat zien dat een referentiekader onontkoombaar is. Als je helemaal opgaat in een nieuwe cultuur, hoe goed ken je die cultuur dan echt? Kun je helemaal acclimatiseren? Peter loopt er een hoop fysieke schade door op. Los proberen te komen van je eigen cultuur is zoiets als los proberen te komen van je eigen natuur. Zo nauw verbonden zijn we met onze cultuur.

Tegenwoordig zien we mensen met verschillende huidskleuren en culturen niet meer als verschillende rassen. We zijn allemaal mensen. We zijn gelijk. Wanneer we kolonies stichten in de ruimte, kunnen we dan de volgende stap zetten? Zullen we onszelf en de buitenaardsen kunnen zien als gelijke levende wezens? Is dat mogelijk?

Bibliografie

Faber, Michel. Het boek van wonderlijke nieuwe dingen. Vertaling. Harm Damsma en Niek Miedema. Amsterdam: Podium, 2015. Print.

Todorov, Tzvetan. The Conquest of America: The Question of the Other. 1984. Oklahoma: University of Oklahoma Press, 1999. Print.

Noten

[1] Witbloem is de enige plant die groeit op de planeet en het voedsel voor de USIC medewerkers op Oasis.

[2] Zo laten de Oasiërs die geïnteresseerd zijn in de Bijbel zich door Peter noemen, omdat hij hun namen onmogelijk kan uitspreken.

5 november 2017 (laatst bewerkt op 1 mei 2019)