Elke Meeuw

(bijgewerkt januari 2019)

Een tocht van drie uur op een hard houten bankje zonder rugleuning. Met geen andere bescherming tegen het opspattende water dan een loszittende open reling, een dunne blouse en fladderrokje en haar eigen blote huid. Het liefst zou Amber hier voor de rest van haar leven in het troebele water zitten staren. Zolang ze niet weet hoe het er daar beneden uit ziet, kan het er precies uit zien zoals zij wil. Ze verzint haar eigen dieren. Een soort dinosaurussen met schubben en vinnen. Ze zal er later een paar schetsen. Later. Als het water wat minder hoog spat.
      Het zonlicht daalt neer in losse stralen uit openingen in het aan paars winnend wolkendek. Amber stelt zich voor hoe vliegende reuzen met reuzenzaklampen van boven door de wolken schijnen. Misschien zijn ze nieuwsgierig naar wat de mensen hier uitvoeren. Misschien controleren ze of we onze tijd niet verdoen en brengen ze rapport uit aan een god. Of aan de zon van wie ze de stralen hebben mogen lenen. Of aan iets anders.
      De openingen worden nauwer, de wolken paarser. Niet alleen de wolken zijn paars. Het paars is overal. Amber ademt diep in en ziet ineens voor zich hoe het paars haar longen kleurt. Aan de horizon lichten de wolken af en toe fel op, met de regelmaat van de willekeurigheid. Ze schuift haar backpack wat verder onder de houten bank.
      Amber gelooft dat alles een bedoeling heeft. Elke meeuw die landt, elke walvis die strandt, elke dag die oplost als de avond valt, zet een volgende gebeurtenis in gang. Als ze vanmorgen in het hostel aan een ander tafeltje was gaan zitten, dan had ze misschien haar tong niet aan de thee verbrand. Als ze gisteren niet tot zo laat was opgebleven, dan had ze vandaag misschien de kracht gehad om te besluiten nooit terug naar huis te gaan.
      Er liggen steeds meer druppels op Ambers arm. Sommigen komen uit zee. Anderen uit de lucht. Ze denkt aan de urenlange vliegreis die ze nog te gaan heeft. Twee bankjes voor haar is een man van een jaar of dertig bezig zijn spiegelreflexcamera in te pakken in allerlei waterdichte beschermhoezen en tassen. Op het eiland vermeed Amber de backpackers met grote camera’s. Ze willen je overal steeds op de foto zetten. Glimlachen voor een lens die niet teruglacht is niet Ambers sterkste kant. Toch zorgt ze er altijd voor dat ze lacht, want als ze neutraal kijkt, denken mensen dat ze boos is.
      De rugzak van de man is een stuk groter dan die van Amber. Hij haalt er een blauw regenjack uit en trekt hem snel aan. Als hij uit geritst en gesnoerd is (hij lijkt bang te zijn dat het water door zijn huid heen zal bijten), draait hij zich om naar Amber en zwaait. Ze zijn de enige twee die nog buiten zitten. Dat schept een band.
      “Ik heb nog wel een poncho!” Zijn stem lijkt van ver weg te komen. Hoe weet hij dat ze Nederlands is? Met een glimlach schudt Amber haar hoofd.
      De boot slaat hard op de golven. Het water vormt een beweeglijk berglandschap met witte ijstoppen die borrelen en bruisen. Amber kan zich moeilijk voorstellen dat diep onder het geweld alles veilig is en rustig. De dieren die ze net nog voor zich zag, zijn weg. Ze vertrouwen de stilte niet.
Amber voelt het bankje doorbuigen en kijkt op, recht in het gezicht van de man met regenjack.
      “Ewoud.” Hij geeft haar een stevige hand. “Zo raar om hier allebei te zitten en niet even kennis te maken.” Daar is Amber het mee eens.
      Hij blijft naast haar zitten. Zijn ogen volgen de golven. Alsof die niet allemaal hetzelfde zijn en hij er geen één mag missen. Hij ziet er niet onaardig uit. Was hij ook naast haar gaan zitten als ze de poncho had aangenomen? Wel zo logisch. Hij had haar eerst de poncho gegeven, daarna een stevige hand en daarna was hij naast haar gaan zitten. Of hij was terug gegaan naar zijn plaats, maar hij zou zeker zijn naam hebben gezegd. Misschien was Amber naast hém gaan zitten. Misschien is deze man de liefde van haar leven. Misschien gaan ze trouwen en krijgen ze acht kinderen. Als ze de poncho had aangenomen, was ze volgend jaar al met hem getrouwd. Dit gaat de verkeerde kant op. Ze had met zichzelf afgesproken deze gedachtes, hoe opdringerig ook, voor eens en voor altijd te boycotten.
      Het deinen wordt minder. Amber strijkt een natte haarlok uit haar ogen. Ze legt haar arm op de reling. Ze legt hem in haar schoot. Op de reling. In haar schoot.
      “Hoe vond je het eiland?” Hij lijkt oprecht benieuwd.
      “Mooi,” antwoordt Amber.
      “Was je er al eens geweest?”
      “Nooit. Jij wel?”
      “Nee.”
      Dit is een gesprek van niks. Als ze niet gauw iets doet gaat hij weer op zijn eigen plek zitten.
      “Vind je dit een duf gesprek?” Ze kan het net zo goed vragen.
      “Nee? Hoezo?”
      “Ik ben niet tot interessante gesprekken in staat.”
      “Dat kan ik me niet voorstellen.”
      “Toch is het zo. Ik kan je vragen waar je allemaal precies geweest bent. Wat je gezien hebt. Wat je het mooiste vond. Maar ik heb daar gewoon geen zin in.” Heeft ze dit zojuist echt gezegd? “Ik ben niet geïnteresseerd genoeg. Ik denk altijd van wel. Ik hoop altijd dat mensen over mij zeggen dat ik een goede luisteraar ben.” Waarom zegt ze dit? Wat gaat het hem aan?  “Maar dat ben ik helemaal niet, en er is niemand die het over me zegt. Ik ben altijd aan het woord en ik heb het altijd over mezelf. Ik probeer te veranderen, maar dat lukt niet. Vandaar dat dit nooit een interessant gesprek kan worden.”
      “Waarom lukt het je niet?”
      “Ik heb het gewoon niet in me.”
      “Ik vind het prima als je over jezelf vertelt. Ik ben niet zo’n prater.”
      “Waarom niet?”
      “Ik heb het gewoon niet in me.” Zijn ogen volgen de golven. Zijn lichaam is ontspannen.
      “Mag ik je poncho?” Hij steekt zijn arm diep in zijn rugzak en staart naar een punt in de lucht. Een rare gewoonte die mensen hebben als ze blind en op de tast ergens naar zoeken. Alsof het nodig is je zicht uit te schakelen wanneer je zoekt naar iets dat niet te zien is.
      “Laat anders maar.” Hij heeft hem al. Hij scheurt het zakje voor haar open en gooit de poncho over haar heen.
      “Beter?” Amber knikt. In de verte klaart de lucht een beetje op. De reuzen zijn terug met hun zaklampen.
      Misschien is deze reis toch niet voor niets geweest. Ze vertrok met de hoop op een grote verandering, een omslag, een ervaring die haar zou leren durven haar eigen afstandsbediening te grijpen en zelf op de knoppen te drukken. Op het eiland ebde het sombere gevoel van de afgelopen jaren weg. Alles waar ze zin in had gebeurde, en ze had overal zin in. Gisteren werd ze voor het eerst bang dat ze deze nieuw verworven macht thuis meteen weer zou verliezen. Ze had wel de afstandsbediening gevonden, maar niet de manier om het apparaatje mee naar huis te nemen. Hoe bleef je de baas? Wat was de formule? Wat hadden haar ervaringen op het eiland thuis nog voor waarde? Na twee jaar zouden ze vervaagd zijn, zo niet helemaal vergeten. De urenlange klimtocht door de dichte jungle. De nachten op het strand onder de sterren. Thuis waren sterren een paar onbereikbare zilveren puntjes aan de hemel. Doffe puntjes die er geen zin meer in hadden. Op het eiland waren sterren als wolken van miljoenen van die puntjes. Fel schijnend en onverschrokken. Als Amber haar vinger nat maakte en in de lucht stak, bleef er een puntje aan kleven. Ergens anders op het gewelf plakte ze het terug.
      Ewoud doet zijn regenjack uit en haalt de spiegelreflexcamera uit zijn rugzak.
      “Mag ik een foto van je maken?”
      “In deze prachtige outfit?”
      “Waarom niet?”
      Amber trekt de poncho recht en legt haar arm over de wiebelende reling. Ze zet haar beste glimlach op, maar bedenkt zich. Het is een poseerlach. Een: kijk mij ik heb het leuk lach. De foto mag geen leugen zijn. Net voor Ewoud afklikt, trekt ze haar gezicht neutraal.
      “Papa!”
      Een jongetje van een jaar of acht komt het voordek opgerend. Achter hem loopt zijn moeder. Ewoud tilt het jongetje op.
      “Kom je binnen zitten?” vraagt de moeder.
      Amber draait snel haar gezicht naar het water. Als deze vrouw blond was geweest, in plaats van een brunette, had Ewoud haar misschien wel nooit ontmoet. Maar dan had hij ook niet op deze boot gezeten.
      “Wat is je adres? Dan kan ik je de foto sturen,” vraagt Ewoud.
      Alle pennen die ze tevoorschijn halen zijn op. Ambers schetsboek is doorweekt. Na veel gelaatandersmaar heeft hij dan eindelijk haar adres in duidelijke letters op een droog stukje papier staan. “Ik stuur je de foto,” roept hij nog, terwijl hij met zijn vrouw het deurtje doorgaat naar het overdekte deel van de boot.

Amber zit thuis tegen de zijkant van de bank voor de glazen schuifdeur op de grond. De zon is warm. Amber draagt een rode wintertrui met daaronder twee hemdjes. Buiten wordt het langzaam lente. Binnen is het hoogzomer. Ze probeert zich het moment te herinneren dat ze hier is gaan zitten. Ze kan het niet terughalen. Het is drie maanden sinds haar reis op de boot. Ewoud heeft woord gehouden. Twee weken na haar thuiskomst vond ze een envelop op de deurmat, a4-grootte. Ze wist zeker dat ze vlak voor Ewoud afklikte haar gezicht neutraal had getrokken, maar op de foto glimlacht ze. Niet overdreven, maar toch, het is duidelijk een glimlach.
      Amber staat zich toe nog even bij het raam te zitten. Ze probeert de hitte maximaal te voelen. Een vogeltje hupt buiten in de tuin door het gras. Een merel, denkt Amber. Ze vraagt zich af of de merel volgens een ingewikkelde en niet na te trekken kettingreactie invloed zal hebben op haar humeur. Ze hoopt het niet, want op dit moment, hier in de hitte achter het glas, is ze gelukkig.

 
23 maart 2014