Wat is nog hier in het donker?

____7143802_origNa een apocalyps hebben de laatst levende mensen zich teruggetrokken in een doolhof van gangen zo groot als West-Europa. Ze zijn al zo lang ondergronds dat ze de weg naar boven niet meer kennen. De wereld waarin ze vroeger leefden, kunnen ze zich niet goed herinneren, maar ze hebben wel altijd het gevoel dat ze iets missen. Een tekst over onze laatste afstammelingen uit de toekomst.

Deze tekst is geschreven voor de lessen ‘Schrijven zonder planning’ op de Schrijfopleiding. Een aantal weken zijn we aan de slag gegaan met het schrijven van associatieve teksten op muziek en beweging. Ieder voor zich heeft met zijn geschreven teksten een massascène samengesteld.

1 maart 2012

Fragment 1

De poppennaaister:
Als een lappenpop krabbel ik overeind
in een kleurloze wereld van rokende huizen
en asvlokkenregens op klaarlichte dag.

Verwonderd kijk ik om me heen.
Verwachtingsvol steek ik een arm omhoog,
maar de hand die mij ooit meesleepte
is mij al lange tijd vergeten.

Mijn asblonde haar van ruw touw
strijk ik zacht naar achteren.

Mijn benen zetten stappen
op de met as bedekte grond.

Een asgrijze kat met de haren rechtovereind
verschijnt en besluipt mij van achteren.
Het dier haalt uit met een scherpe klauw
grijpt mijn arm en verdwijnt dan gauw.

Ik strompel verder, met één arm minder
een spoor achterlatend van stappen in as.

Waarna ik mij warm en behaaglijk vind,
zo stel ik mij dat voor,
op de barkruk in een kleine dansclub.
Draaiende heupen, de hele nacht door.

Met het opkomen van de zon
zou de dansclub verdwijnen,
maar de heupen zouden steevast blijven.
Ze zouden doordansen in een weidse woestijn.

Een woestijn met druipende cactussen.

In de zwarte grot in mijn hoofd
lichten herinneringen omstebeurt fel op.
Herinneringen aan heupen en aan cactussap,
maar doordat ik zo loop te dromen struikel ik
en val in een diep en donker gat.

Een gat zonder bodem en niets om te grijpen
totdat het water mij vangt.
Het water mag dan schoon en koel zijn,
ik krijg geen lucht en ben vreselijk bang.

Ik duikel en draai en slinger maar door
en smeek meer dan ooit om die hand.

Hand til mij het water uit
en sleep me vlug aan land.

Zet mij warm en behaaglijk neer,
op een kleed bij de open haard.
Naast het vuur dat hoog oplaait,
word ik dichtgenaaid en zacht geaaid.

Fragment 2

De filosoof:
Het is donker. Veel donkerder dan normaal. Het is te donker om te kunnen zeggen: ‘wat is het donker hier’, want wat is nog hier in het donker?

Zijn we wel hier, of ziet het er zo uit als je dood gaat? En is dat dan ook een hier? Kun je in het dodenrijk zeggen: ‘ik ben hier’, of beter: ‘ik ben elders’? Of bestaat dat dan ook niet meer?